Macht en kwaliteit: hand in hand?

We leven in een tijd waarin geld, macht en reputatie enorme drijfveren zijn voor acties en gedrag. Wil je de president worden van de USA? Dan moet je allereerst het nodige geld bij elkaar zien te verdienen, of werven. Dus de regel lijkt te zijn: eerst geld, dan succes. Succes is maakbaar net als je reputatie. Het probleem met dergelijke regels is dat morele principes minder prioriteit hebben en er ook minder toe doen. Is het dan nog verbazingwekkend dat er met de regelmaat van de klok schandalen over de moraal van “succesvolle” leiders gepubliceerd wordt?

Antwoord op deze vraag lijkt overbodig. En toch ben ik elke keer weer verbaasd over uitlatingen, over beslissingen, gedrag en acties van deze zogenaamde “succesvolle” leiders. Zo was ik laatst bij het bedrijf waar ik in een periode van 8 jaar, onderzoek heb gedaan naar het duurzame gehalte van strategische beslissingen. Ik was daar om mijn dissertatie te overhandigen, want inmiddels ben ik op dit onderwerp gepromoveerd.

Het gesprek verliep als volgt. Wachtend op de directeur, zat ik bij het directiesecretariaat even te kletsen over de laatste ontwikkelingen en nieuwtjes. Eén van de managers kwam binnen, en er volgde een relaas over zijn ontvangen lintje op Koningsdag voor al zijn vrijwilligerswerk voor diverse besturen. En ik maar denken dat je naast zo’n drukke baan als manager daar echt geen tijd voor had.

Vervolgens werd ik uitgenodigd op de kamer van de directeur die ik drie van mijn boeken overhandigde. De eerste opmerking was, “ik begrijp de titel niet”. Het antwoord werd ook niet echt afgewacht, stond overigens op de eerste bladzijde van het eerste hoofdtuk. “Maar het is in het engels, dus dat lees ik niet”.

Daarna heb ik ongeveer een uur geluisterd naar hoe ontzettend veel progressie hij boekte met duurzaamheid. Want hij nam zitting in diverse overlegorganen over duurzame energietransitie. En ze hadden net een onderzoek in ontvangst genomen waaruit bleek dat de meeste corporaties vooral oog hadden voor de technische kant van duurzaamheid. Hmmm, was dat nou toch ook niet één van de conclusies uit mijn eigen onderzoek.

De grootste schok vond ik te horen dat de directeur met enige regelmaat mijn aanwezigheid in het begin van de onderzoeksperiode (strategisch adviseur duurzaamheid / onderzoeker) ‘misbruikte’ en duidde als de ‘geiten-wollen sokken periode’. En dat het dat label kreeg, dat kwam natuurlijk vooral door mij, of beter gezegd: mijn aanwezigheid. De conclusies die ik trok uit 34 interviews en nog veel meer observaties bij teambijeenkomsten waren dat de directie in die tijd vooral gedreven werd door reputatie, korte termijn successen en financiën, en dat duurzaamheid geen prioriteit had op het moment dat er strategische besluiten genomen werden (“te duur”). Het gevaar lag immers op de loer dat als je je er wel mee bezig hield, je een “geiten-wollen sokken imago” kreeg (letterlijke tekst van het interview met dezelfde directeur).

Afgezien van het feit dat de man zich anno 2019 dus verspreekt en tegenspreekt (“met de kennis van nu”) wordt de schuld voor een in zijn ogen minder succesvolle periode (de opstartfase van het hele project) gelegd bij twee personen. Hij heeft vast niet vermeld dat er juist in die begintijd een visie ontwikkeld werd in die tijd die nog steeds door iedereen in het bedrijf omarmd is, jarenlang. En dat hij de mensen die deze brede visie hebben ontwikkeld, heeft ontslagen, of dat zij vrijwillig vertrokken, gefrustreerd door zo weinig commitment van de directie voor duurzaamheid. De stagnatie in de integratie van duurzaamheid in brede zin was vooral te wijten was aan het door de directie afrekenen van medewerkers op andere zaken dan duurzaamheid (financiële huishouding op orde, ontslagperiodes, organisatie-ontwikkeling, fusie met een andere corporatie).

Het is soms bijna grappig hoe directeuren zich zó weten te presenteren dat zij degene zijn die verantwoordelijk zijn voor succes, en eventuele mislukkingen de schuld zijn van anderen. Het labelen van een hele tijdsperiode die juist vanuit het oogpunt van duurzaamheid als succesvol kan worden beschouwd, als “geiten-wollen sokken periode”, is niet alleen ethisch gezien onacceptabel. Het is feitelijk zeggen “Ik heb me er toen niet aan verbonden, niet aan gecommitteerd”. En dat is precies waarom het na 2011 geen stap verder kwam in deze organisatie. Tenslotte is een dergelijke labeling ook een brevet van onvermogen van de betrokkenen destijds. Als die toen hadden beseft dat ze in een periode van twee jaar alle medewerkers van onderaf hadden gemobiliseerd voor duurzaamheid in brede zin, dam hadden ze dat moeten laten beklijven. Té beleefde discussies voeren over commitment, bijvoorbeeld wanneer een directielid weer eens een nieuwe energielabel C auto wilde, heeft geen zin gehad.

Dus, het is bijna grappig, maar toch niet helemaal. We kunnen lachen om uitspraken van “succesvolle” leiders maar wie, hoe en wanneer laten we deze mensen verantwoording afleggen over hun eigen gedrag, dat ethisch onacceptabel is, en verre van duurzaam? De tijd zal leren wie er niet alleen succesvol durft leiding te geven, maar ook  andere leidinggevende principes hanteert dan reputatie, geld en macht. Ethisch verantwoord en écht toekomstgericht sturen, binnen de grenzen van de kwaliteit van onze leefomgeving. Het wordt toch hoog tijd dat dát, de kwaliteit van onze leefomgeving (en dus de zaken als waterkwaliteit, luchtkwaliteit, biodiversiteit, klimaat, bodemkwaliteit), de maatstaf is waartegen we de acties, beslissingen en gedragingen van de leiders af moeten zetten.


Plaats een reactie